Hebban olla uogala
nestas bigunnan
Hinase hic enda thu
Die wateren voeden hem
ende die diepe gront verhieffen op.
Ende die riuieren liepen al omme
ende omme sijn wortelen:
ende hij sent sijn beeken tot alle den houten vanden lantscappen
Daer om is sijn hoecheit verheuen bouen alle houten des lantscaps:
ende sijn plant boemen wort gemenichfoudicht.
Ende sijn telgheren wiessen hoge om die wateren.
Ende doe hi sine scaduwe wtghesprayt hadde:
so maecten alle die vogelen des hemels haer nesten in sijnen telgheren.
Ende alle die beesten vanden busschen
ghebaerden haer ionghen onder sine loueren :
ende onder sijne scaduwe
woende ene scaduwe van veel mensen.
Want sijne wortele was neuen veel wateren.
In dat nieuwe land van Flevo
Hebban olla uogala nestas bigunnan
Hinase hic enda thu
En zo is hier voor een ieder
Het land, het water en de lucht
Om een nest te bouwen
Ook hic enda thu
Aantekeningen.
De zin ‘Hebban olla (…) hic enda thu’ is de oudste
overgeleverde zin in het Nederlands.
De onderstreepte woorden
en zinnen zijn door mij toegevoegd, vandaar in het moderne Nederlands. Door die
toevoeging wordt een brug geslagen naar het hier en nu.
De rest van de tekst
is afkomstig uit het 31e hoofdstuk van Ezechiël zoals dat is
opgenomen in de Leydsche Bijbel uit 1477 (de eerste gedrukte Bijbel in het
Nederlands).
Door deze werkwijze
wordt het oudste van de cultuur in Nederland verbonden met het nieuwste land,
dat in dit opzicht ook een kind van de cultuur is, eerder dan een kind van de
natuur. En juist dit aspect is zo intrigerend.
Hertaald naar het huidige Nederlands, betekent deze tekst ongeveer het volgende:
Zijn alle vogels begonnen hun nesten te bouwen
Behalve jij en ik
Deze wateren dienen hem[1] tot voedsel
En de diepe grond verhief hem hoog.
En de rivieren liepen overal
En ook om zijn wortels:
En hij[2] stuurt zijn beken door het hele bos in de wijde omstreken
Daardoor is zijn[3] voortreffelijkheid verheven boven alle bossen uit de omgeving
En zijn overvloed aan bomen is enorm groot.
En zijn loten groeien hoog op rond de wateren.
En toen hij[4] zijn schaduw uitgespreid had;
Maakten alle vogelen van de Hemel hun nesten in zijn takken.
En alle beesten uit het struikgewas
Stuurden hun jongen onder zijn bladeren:
En onder zijn schaduw
Verkeerde een geweldige menigte van mensen
Want zijn wortels waren in de buurt van veel water
In dat nieuwe land van Flevo.
Zijn alle vogels begonnen hun nesten te bouwen
Behalve jij en ik
En zo is hier voor een ieder
Het land, het water en de lucht
Om een nest te bouwen
Ook hic enda thu
In de goede hoop een
bijdrage geleverd te hebben aan jouw kunstwerk,
FWK s.c.
[1] De ceder; het symbool van het leven. Ook wel de Levensboom genoemd.
[2] De rivier
[3] Het bos
[4] Kan zowel ‘de boom’ als ‘het bos’ zijn